Martin de Haan winnaar Dr. Elly Jaffé Prijs

Literair vertaler ontvangt prijs van 40.000 euro

De Dr. Elly Jaffé Prijs 2018 voor de beste literaire vertaling uit het Frans naar het Nederlands is toegekend aan Martin de Haan. Juryvoorzitter Philip Freriks maakte de winnaar donderdagmiddag bekend tijdens een feestelijke bijeenkomst in VondelCS in Amsterdam. Het prijzengeld van de Dr. Elly Jaffé Prijs bedraagt € 40.000 euro en is daarmee een van de grootste literaire vertaalprijzen van Nederland.

De jury prijst het werk van Martin de Haan en met name zijn vertaling van Soumission van Michel Houellebecq (Arbeiderspers, 2015) en Les Liaisons dangereuses van Choderlos de Laclos (Arbeiderspers, 2017). “De jury is zeer onder de indruk van De Haans volmaakte Nederlandse stijlgevoel, de rijke woordenschat en idiomatische oplossingen waardoor de Franse tekst dankzij deze vertalingen een tweede adem krijgt,” aldus het juryrapport.

De andere genomineerden waren vertalers Anneke Alderlieste, Kiki Coumans en Liesbeth van Nes.

De Haan vindt het belangrijk dat een vertaler vaker wordt gezien als auteur van een nieuwe tekst. “Ik droom van  en vecht voor  een lees-, schrijf-, en uitgeefcultuur waarin vertalingen en vertalers voor vol worden aangezien.”

Martin de Haan (1966) is de vaste vertaler van hedendaagse schrijvers en essayisten als Houellebecq en Kundera en vertaalde werk van klassieke auteurs als Zola, Diderot en Proust. Hij was geruime tijd recensent Franse literatuur voor de Volkskrant en schrijft essays voor diverse Nederlandse en Vlaamse tijdschriften.

Stipendium

Tijdens de bijeenkomst werd tevens een stipendium van € 7.000,- uitgereikt aan een veelbelovende vertaler. Dit jaar was dat aan Eva Wissenburg. De twee andere genomineerden waren Carlijn Brouwer en Gertrud Maes.

Eva Wissenburg (1990) studeerde Franse Taal en Cultuur en volgde de Master Literair Vertalen aan de Universiteit Utrecht. Sinds 2014 is ze werkzaam als literair vertaler. Tevens is zij verbonden aan de Universiteit van Utrecht als onderzoeks- en onderwijsmedewerker bij het departement Talen, Literatuur en Communicatie.

Over de prijs

De Dr. Elly Jaffé Prijs werd in 2001 ingesteld door mevrouw Elly Jaffé (1920-2003) om de belangstelling voor de Franse taal en literatuur in Nederland te stimuleren.  Zij was letterkundige en was jarenlang literair criticus van Franse literatuur voor het weekblad De Groene Amsterdammer.

De Elly Jaffé Stichting, beheerd door de Auteursbond, kent de prijs toe aan een vertaling in de genres verhalend of beschouwend proza en poëzie. De vertalers worden gesteund door de Auteursbond, het Nederlands Letterenfonds en de uitgeverijen waar de vertalingen verschijnen.

De jury

De jury van de Dr. Elly Jaffé Prijs 2018: Philip Freriks (oud-correspondent van het NOS Journaal in Frankrijk), Rudi Wester (voormalig directeur van het Institut Néerlandais te Parijs),  Wineke de Boer (recensent Franse literatuur van de Volkskrant) en Eric Metz (docent vertaalwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam).

Beeld: Inigo Garayo

‘Ik ben niet met woorden bezig’ – Genomineerden Dr. Elly Jaffé Prijs over het vertalersvak

Lees de Franse vertaling / en Français

De vrijheid om je onder te dompelen in een boek, het origineel met respect vertalen én er een overtuigende Nederlandse tekst van maken, in een eigen wereld zijn en precies weten waar je naartoe moet. Anneke Alderlieste, Kiki Coumans, Martin de Haan en Liesbeth van Nes hebben geen moeite uit te leggen wat er zo mooi is aan hun vak. Ze zijn genomineerd voor de Dr. Elly Jaffé Prijs, een driejaarlijkse prijs voor de beste vertaling van een Frans literair werk in het Nederlands.

De een was minder verrast dan de ander (“Als je veel doet kom je vanzelf bovendrijven”), maar vereerd zijn ze alle vier met de nominatie voor de prijs, waaraan een bedrag van 40.000 euro is verbonden. Al had Anneke Alderlieste (1943) haar bedenkingen over de keuze om een shortlist naar buiten te brengen. “De prijs is tot nu toe altijd, hupsakee, aan één winnaar toegekend. Die kon dan bij de uitreiking een prachtig doorwrocht dankwoord uitspreken. Ik heb mevrouw Jaffé nog gekend, volgens mij wilde zij dat zo. Persoonlijk verheug ik me er niet op dat we straks allemaal in spanning zitten af te wachten wie de winnaar wordt.”

Foto: Patty Krone
Anneke Alderlieste

Alderlieste is genomineerd voor haar vertaling van het tweede deel van De Thibaults van Roger Martin du Gard, een romancyclus van twee delen, die aan de hand van twee broers de ontwikkeling van de Franse bourgeoisie aan het einde van de 19e eeuw beschrijft. Martin du Gard won er in 1937 de Nobelprijs voor Literatuur voor. Al 14 jaar lang is Alderlieste bijna uitsluitend bezig met het vertalen van zijn werk. Op dit moment werkt ze aan zijn dagboeken voor een Privé-domein.

“Ik kan de gordijnen dichtdoen. Het is heerlijk. In een hoekje zitten om iets heel zorgvuldig te doen, te borduren, dat heb ik altijd graag gedaan. Ik ben weleens bang geweest dat Martin du Gard me op een gegeven moment zou gaan vervelen. Maar ik ben juist steeds geboeider geraakt naarmate ik hem beter leerde kennen. Zijn toon, de levensechtheid, de emoties, het hopeloze onvermogen van mensen, hij weet dat zo goed over te dragen. Ik vind zijn laatste werk, Luitenant-kolonel de Maumort, het eerste dat ik van hem vertaalde, nog steeds het mooist. Het is een werk dat hij aan het einde van zijn leven schreef. Hij wist dat hij het niet zou kunnen voltooien, wat hem de vrijheid gaf open en onverbloemd te schrijven over de seksualiteit van de hoofdpersoon, een van de belangrijkste thema’s van het boek.”

Vousvoyeren

Zo gespecialiseerd als Alderlieste is Martin de Haan (1966) niet, al is hij de vaste vertaler van onder anderen Michel Houellebecq en Milan Kundera. De Haan is genomineerd voor vertalingen van vijf werken. De briefroman Riskante relaties (Les liaisons dangereuses, van Pierre Choderlos de Laclos), waarvoor hij in april de Filter Vertaalprijs won, vindt hijzelf de belangrijkste. “Ik heb er heel lang aan gewerkt, ik was een jaar over de deadline. Dat kwam omdat ik de aanpak op het allerlaatst totaal heb omgegooid. Het is een 18e-eeuwse briefroman en ik had er aanvankelijk voor gekozen om de omgangsvormen van die periode van romantiek – de elegantie, de standaard beleefdheidsfrasen – te benadrukken.

“Maar bij het teruglezen vond ik het saai. Toen heb ik een ander aspect van de roman naar voren gehaald: het libertinisme, de spelletjes, de machtsstrijd, die ook kenmerkend zijn voor het werk. Om dat uit te proberen heb ik één brief omgezet en personages elkaar bijvoorbeeld laten tutoyeren in plaats van vousvoyeren. Ik wist meteen: zo moet het. Maar het duurde wel even voordat ik besefte dat ik daardoor de hele vertaling opnieuw moest doen. Je bent een dief van je eigen portemonnee, want je krijgt er niets extra’s voor.”

Martin de Haan

Riskante relaties is een interessant voorbeeld in de richtingenstrijd over de vraag in hoeverre een vertaler zijn eigen stempel mag drukken op een werk. Aan de voetnoten die deel uitmaken van het oorspronkelijke werk, heeft Martin de Haan eigen vertalersvoetnoten toegevoegd. “Dat paste goed, vond ik, omdat het boek speelt met de vertellende instantie. Daarnaast klopte het met de periode waarin Les liaisons dangereuses werd geschreven. In de achttiende eeuw goten vertalers, als ware ‘cultureel bemiddelaars’, teksten vaak in een geheel nieuwe, aan het doelpubliek aangepaste vorm, niet zelden inclusief begeleidende voetnoten.”

Voor De Haan is het helder: “Elke vertaling levert een ander boek op. Je kunt wel zeggen dat je zomin mogelijk aanwezig moet zijn, maar een vertaler klinkt altijd door. Het is net als met uitvoerende kunstenaars, die muziek altijd in een eigen stijl vertolken. Misschien is het een psychologisch mechanisme. Als je geen behoefte hebt aan aandacht, kun je je als vertaler verschuilen achter de oorspronkelijke schrijver. Het is comfortabel. Maar ik vind dat je moet uitkomen voor wat je maakt. Niet omdat je jezelf zo uniek vindt, maar omdat het een kwestie van eerlijkheid is: dit zijn jóuw woorden, niet die van de oorspronkelijke schrijver.”

De Haan denkt hier heel anders over dan de collega-genomineerden. Anneke Alderlieste: “Je kunt alleen zo nauwkeurig en inventief mogelijk weergeven wat de schrijver heeft bedoeld.” Kiki Coumans: “Vertalen is een dienstbaar beroep. Als vertaler kun je schitteren door afwezigheid.” Liesbeth van Nes: “Het gaat erom dat auteurs tot hun recht komen. Als je langer vertaalt durf je overigens wel aanweziger te zijn”, erkent ze. “Dan heb je minder de neiging om alles gelikt en netjes te maken omdat ze anders zouden kunnen zeggen: die kan niet vertalen. Een auteur als Jean Giono schrijft soms gek. Dat moet je dan zelf ook doen. Heel soms bouw ik een grapje in. Dan gebruik ik een specifiek woord omdat ik iemand ken die dat ook gebruikt. Maar dat is nog nooit iemand opgevallen.”

Lange zinnen

Een specialisatie heeft Liesbeth van Nes (1954) niet, al kreeg ze op een gegeven moment de naam dat ze oorlogsboeken vertaalde. “Dan komt dat naar je toe. En ik wilde ooit graag werk vertalen over de Eerste Wereldoorlog. Dat vond ik een intrigerende periode. Het is me overigens maar twee keer gelukt, met De grote kudde van Jean Giono (een van de zes boeken waarvoor ze genomineerd is, gs) en Tot ziens daarboven van Pierre Lemaître. Maar dat boek is pas ver na de oorlog geschreven.”

Liesbeth van Nes

Het boek van Giono vond ze “idioot moeilijk. Het expressionisme was aan het opkomen, Giono gebruikte heel veel beeldspraak en zijn natuur zat vol emoties. Bomen en paarden hadden gevoelens, die oversloegen op mensen. Het was poëtisch, lyrisch, onbegrijpelijk! Ik wist niet goed wat ik ermee aan moest, al vond ik het wel mooi. Rondbellen voor goede raad, wat ik in zo’n situatie doe, leverde de tip op om te kijken naar werk van buitenlandse tijdgenoten van Giono. Nota bene via Ferdinand Bordewijk, die ook een beetje gekke zinsbouw gebruikt, raakte ik op het goede spoor. Ik zou nooit Chinees willen vertalen, dat staat te ver van onze cultuur af. Ik ken collega’s die Spaans vertalen en ook Zuid-Amerikaanse literatuur doen, dat lijkt mij heel moeilijk. Nederland – Frankrijk is overbrugbaar.”

Heeft de Franse taal kenmerken die het vertalen lastig maken? Liesbeth van Nes komt met hetzelfde antwoord als Martin de Haan: de lange zinnen, die eindeloos kunnen uitdijen met telkens nieuwe elementen. Van Nes: “Een voorbeeld? ‘Hij werd geboren op het platteland, in het huis van tante Marthe, bij de brug, waar de rivier een bocht maakt voor hij in de Seine stroomt, op de plek waar vroeger de meiboom stond, naast de bron, waar nu zo’n gevecht over gaande is, al beweert de burgemeester van niet, zonder te weten wie zijn vader was.’ Het Frans kan dat allemaal in een adem, in een zin bij elkaar houden. In een vertaling is mijn streven ook alles in één zin te stoppen zonder dat het raar wordt. Alleen als mijn vaste eerste lezer zegt: ‘Dit kan niet’, of ‘Ik lees hier niet in één keer wat je bedoelt’, dan pas ik het aan.”

Het is slechts een van de hobbels op de weg naar een goede vertaling. Liesbeth van Nes: “Als je begint aan een boek kan het makkelijk drie of zelfs tien keer per bladzijde gebeuren dat je je afvraagt wat de auteur bedoelt. Pas als je over de helft bent, beginnen woorden op hun plaats te vallen, gaan er palletjes om, dan heb je het door.” Anneke Alderlieste: “Hoe ouder je wordt, hoe zwaarder het is. Veel ervaring lijkt een voordeel, maar juist daardoor ben je je bewust van de eindeloze mogelijkheden en ga je twijfelen.”

Woorden

De computer heeft het leven van vertalers weliswaar makkelijker gemaakt, met online woordenboeken en de mogelijkheid van alles op te zoeken. Alderlieste: “Dan zoom je in op Google Street View en weet je, aha, zó ziet dat straatje eruit.” Maar het is makkelijk te onderschatten hoeveel inlezen, inleven, speurwerk en puzzelen komt kijken bij het vertalen van een tekst.

Kiki Coumans

“Ik ben niet met woorden bezig”, zegt Kiki Coumans (1971) zelfs, op het eerste gezicht een bijzondere opmerking in een vak waar het daarom juist allemaal lijkt te draaien. Maar ze kan het uitleggen: “Ik ben op zoek naar datgene waar de taal naar verwijst. Ik heb te maken gehad met boeken met meer dan honderd plantennamen, met breitechnieken, met vele vissoorten. Maar ik heb nog nooit een woord gebruikt zonder te weten waarnaar het verwijst. Ik moet het voor me zien. En neem bijvoorbeeld een uitdrukking. In welke context wordt die gebruikt, hoe vaak, door wat voor mensen? Dat wil ik heel precies weten.”

Om tot de juiste vertaling van een tekst te komen gaat ze, net als de collega’s, ook af en toe te rade bij de auteurs, als die nog leven dan. Soms komt de hulp uit een koptelefoontje. De Afghaans-Franse schrijver Atiq Rahimi liet Coumans horen welke muziek het ritme van zijn boek had bepaald. Toen wist ze hoe de zinnen moesten lopen.

Coumans vertaalt proza en poëzie (“proza overdag, poëzie in de avond”) en heeft haar nominatie onder andere te danken aan de vertaling van vijf avant-gardistische, experimentele werken. Zelf is ze heel blij met Het raam gaat open als een sinaasappel van Guillaume Apollinaire. “Hij heeft visuele gedichten gemaakt, waarbij hij tekent met letters. Hij is trouwens een uitzondering op de regel dat research altijd nodig is. Zijn werk zou ik blind kunnen vertalen, ook als ik niets van hem wist. Alles zit in zijn taal, zijn ritme, zijn woordkeus.”

Moedertaal

Martin de Haan: “Houellebecq heb ik ooit benaderd om te begrijpen in hoeverre hijzelf vond dat zijn boeken ironie bevatten. Met die informatie maak je keuzes die je anders misschien niet maakt. Ik spring helemaal in de schrijver. Ik wil weten wat hem of haar beweegt. Dat is erg verhelderend en nuttig. Milan Kundera is een ex-Tsjech die in het Frans schrijft. Bij sommige dingen vraag ik me af of hij ze expres zo heeft geschreven, of dat het toch komt omdat Frans niet zijn moedertaal is. Dat leg ik dan voor. Je betrapt schrijvers ook wel op fouten of inconsequenties. Sommigen willen dat die verbeterd worden, anderen vinden dat het moet blijven als in het origineel.”

“Ik heb Frankrijk leren kennen doordat ik heel veel verschillende auteurs heb vertaald”, zegt Liesbeth van Nes. “Ik ben altijd op reis. Voor Giono ging ik naar de Provence bijvoorbeeld. Hij schrijft op een gegeven moment over de rode aarde. Daar zie je die aarde opeens en vallen dingen op hun plaats.” Het reizen bedoelt ze niet altijd letterlijk. “Lemaître schreef zijn boek over de Eerste Wereldoorlog nadat die allang voorbij was. Het huis in Parijs en de loopgraaf waaraan hij refereerde, daar kon ik niet veel mee. In zijn geval kwam ik verder via de boeken waaruit hijzelf inspiratie heeft geput.”

Anneke Alderlieste heeft meermalen gelogeerd in het Château du Tertre in Sérigny, de prachtige studeerkamer gezien waar Roger Martin du Gard werkte en in haar handen gezeten met de geschreven teksten. “Hij heeft zelf veel geschreven over hoe hij wilde schrijven. Hij vond het belangrijk dat eerst het huis stond, evenwichtig, met goede fundamenten, een architectonisch geheel. Daarna kwam pas de stijl aan de beurt. Fond et forme. Ik probeer de vertaling hetzelfde evenwicht, dezelfde vloeiendheid te geven.”

De “heerlijke vrijheid om je drie maanden onder te dompelen in een boek”, zoals Liesbeth van Nes het omschrijft, weegt voor haar ruim op tegen de mindere kanten van het werk. “Reclames vertalen is een stuk lucratiever, maar dan vallen ze je drie keer per dag lastig. Ik ben trouwens heel dankbaar, schrijf dat maar op, dat de Auteursbond er is om onze belangen te behartigen en over redelijke vergoedingen te overleggen, want als je dat allemaal zelf moet doen haal je je deadline nooit.” Dankbaarheid uiten de vertalers ook spontaan jegens hun uitgevers, die kostbare projecten zijn aangegaan en zich zo nauw betrokken tonen bij het werk van hun vertalers. Stof genoeg kortom voor het dankwoord dat de winnaar van de Dr. Elly Jaffé Prijs op 31 mei zal uitspreken. Al zal het dit keer minder doorwrocht zijn dan bij vorige edities, maar geïmproviseerd of voorgedragen van een haastig uit de binnenzak getrokken velletje papier.

Door Gertie Schouten

 


« Je ne m’occupe pas de mots » – La nominée Dr. Elly Jaffé Prix de traduction

Par Gertie Schouten

La liberté de s’immerger dans un livre, de traduire l’original avec respect et de produire un texte néerlandais convaincant, d’être dans son propre monde et de savoir exactement où aller. Anneke Alderlieste, Kiki Coumans, Martin de Haan et Liesbeth van Nes n’ont aucun problème pour expliquer ce qui est si beau dans leur profession. Ils sont nommés pour le Prix Dr. Elly Jaffé, prix triennal pour la meilleure traduction d’une œuvre littéraire française en néerlandais.

L’un a été moins surpris que l’autre (« Si vous faites beaucoup, vous remonterez à la surface »), mais ils sont tous les quatre honorés de la nomination pour le prix, lequel s’accompagne d’un montant de 40 000 euros. Même si Anneke Alderlieste (1943) avait des doutes sur le choix de publier une liste restreinte. « Jusqu’à présent, le prix a toujours été attribué à un gagnant. Ce dernier pouvait ensuite exprimer un mot de remerciement splendide et bien réfléchi lors de la remise du prix. J’ai bien connu madame Jaffé, et je crois que c’est ce qu’elle voulait. Personnellement, je ne me réjouis pas du moment où nous patienterons tous, angoissés, pour connaître le nom du vainqueur. »

Alderlieste a été nominée pour sa traduction de la deuxième partie de De Thibaults de Roger Martin du Gard, un cycle romantique en deux parties qui décrit le développement de la bourgeoisie française à la fin du 19ème siècle avec l’aide de deux frères. Martin du Gard a reçu le prix Nobel de littérature en 1937. Depuis 14 ans, Alderlieste s’occupe presque exclusivement de la traduction de son travail. Elle travaille actuellement sur ses journaux intimes pour un domaine privé.

« Je peux fermer les rideaux. C’est délicieux. S’asseoir dans un coin pour faire quelque chose très soigneusement, pour broder, c’est ce que j’ai toujours aimé. J’avais parfois peur que Martin du Gard m’ennuie un jour ou l’autre. Mais je suis devenue de plus en plus fascinée à mesure que j’ai appris à mieux le connaître. Son ton, la joie de vivre, les émotions, l’incapacité désespérée des gens, il sait si bien transmettre cela. Je pense que son dernier travail, Luitenant-kolonel de Maumort, le premier que j’ai traduit de lui, est toujours le plus beau. C’est une œuvre qu’il a écrite à la fin de sa vie. Il savait qu’il ne pourrait pas l’achever, ce qui lui a donné la liberté d’écrire ouvertement et franchement sur la sexualité du protagoniste, l’un des thèmes les plus importants du livre. »

Vouvoiement

Martin de Haan (1966) n’est pas aussi spécialisé qu’Alderlieste, bien qu’il soit le traducteur permanent de Michel Houellebecq et Milan Kundera, entre autres. De Haan a été nominé pour la traduction de cinq œuvres. Il considère que le roman épistolaire Riskante relaties (Les liaisons dangereuses, de Pierre Choderlos de Laclos), pour lequel il a remporté le Prix de traduction de Filtre en avril, est le plus important. « J’y ai travaillé très longtemps, j’ai dépassé la limite d’un an. C’est parce que j’ai totalement changé d’approche au tout dernier moment. Il s’agit d’un roman épistolaire du 18ème siècle et j’avais d’abord choisi de mettre l’accent sur les manières de cette période romantique – l’élégance, les formules de politesse standard.

« Mais quand je l’ai relu, j’ai trouvé ça ennuyeux. Puis j’ai souligné un autre aspect du roman : le libertinisme, les jeux et la lutte pour le pouvoir, qui sont aussi caractéristiques de l’œuvre. Pour essayer cela, j’ai converti une lettre et laissé les personnages se tutoyer les uns les autres au lieu de se vouvoyer. J’ai tout de suite su : c’est comme ça que ça devrait être. Mais il m’a fallu du temps pour réaliser que cela signifiait que je devais refaire toute la traduction. Vous êtes un voleur de votre propre portefeuille, parce que vous n’obtenez rien de plus pour cela. »

Riskante relaties est un exemple intéressant dans la lutte de direction sur la mesure dans laquelle un traducteur peut laisser sa propre marque sur une œuvre. Martin de Haan a ajouté ses propres notes de bas de page de traducteur aux notes de bas de page qui font partie de l’œuvre originale. « Cela allait bien, pensai-je, parce que le livre joue avec le narrateur. Cela correspondait également à la période pendant laquelle Les liaisons dangereuses a été écrit. Au XVIIIe siècle, les traducteurs, en tant que véritables « médiateurs culturels », publient souvent des textes sous une forme entièrement nouvelle, adaptée au public cible, et souvent accompagnés de notes de bas de page. »

Pour De Haan, c’est clair : « Chaque traduction produit un livre différent. Vous pouvez dire que vous n’aurez peut-être pas non plus besoin d’être présent, mais un traducteur se fait toujours entendre. C’est comme avec les interprètes, qui interprètent toujours la musique dans leur propre style. C’est peut-être un mécanisme psychologique. Si vous n’avez pas besoin d’attention, vous pouvez vous cacher derrière l’auteur original en tant que traducteur. C’est confortable. Mais je pense que vous devez défendre ce que vous faites. Non pas parce que vous vous trouvez si unique, mais parce que c’est une question d’honnêteté : ce sont vos mots, pas ceux de l’auteur original. »

Le point de vue de De Haan à ce sujet est très différent de celui de ses collègues nominés.  Anneke Alderlieste :  « Vous ne pouvez représenter avec autant de précision et d’inventivité possible que ce que l’écrivain voulait dire. » Kiki Coumans : « La traduction est une profession soumise. En tant que traducteur, vous pouvez vous faire remarquer par votre absence. » Liesbeth van Nes : « Il s’agit de faire transparaître les idées des auteurs. D’ailleurs, si vous traduisez plus longtemps, vous osez être plus présent », reconnaît-elle. « Alors vous êtes moins enclin à rendre tout bien rangé, parce qu’autrement, on pourrait dire : elle ne sait pas traduire. Un auteur comme Jean Giono écrit parfois de façon folle. Il faut le faire soi-même. Il m’arrive parfois de faire une blague. Alors, j’utilise un mot spécifique parce que je connais quelqu’un qui l’utilise. Mais personne n’a encore pointé le doigt dessus. »

Phrases longues

Liesbeth van Nes (1954) n’a pas de spécialisation, bien qu’à un certain moment, on l’ait qualifié de traductrice de livres de guerre. « Cela parvient jusqu’à vous. Et je voulais traduire des ouvrages sur la Première Guerre mondiale. Cette période m’intriguait. D’ailleurs, je n’ai réussi que deux fois, avec De grote kudde de Jean Giono (un des six livres pour lesquels elle a été nominée, gs) et  Tot ziens daarboven de Pierre Lemaître. Mais ce livre n’a été écrit que bien après la guerre. »

Elle a trouvé le livre de Giono « bêtement compliqué. L’expressionnisme émergeait, Giono utilisait beaucoup d’images et sa nature était pleine d’émotions. Les arbres et les chevaux avaient des sentiments qui déteignaient sur les gens. C’était poétique, lyrique, incompréhensible ! Je n’étais pas sûre de ce qu’il fallait en faire, même si je l’aimais bien. Après avoir passé quelques coups de fils pour glaner bons conseils, ce que je fais dans une telle situation, on m’a soufflé le conseil de regarder le travail des contemporains étrangers de Giono. Nota bene via Ferdinand Bordewijk, qui utilise aussi une structure de phrases un peu folle, je me suis mise sur la bonne voie. Je ne voudrais jamais traduire le chinois, c’est trop éloigné de notre culture. Je connais des collègues qui traduisent l’espagnol et qui font aussi de la littérature sud-américaine, ce qui me semble très difficile. Les Pays-Bas et la France peuvent être reliés entre eux. »

La langue française présente-t-elle des caractéristiques qui rendent la traduction difficile ? Liesbeth van Nes apporte la même réponse que Martin de Haan : les longues phrases, qui peuvent s’étendre à l’infini avec des éléments toujours nouveaux. Van Nes : « Un exemple ? « Il est né à la campagne, dans la maison de tante Marthe, près du pont, où la rivière fait une courbe avant de se jeter dans la Seine, à l’endroit où le mât se tenait, à côté de la source, où une telle bataille a lieu maintenant, même si le maire affirme le contraire, sans savoir qui était son père. » Le français peut exprimer tout cela en même temps, en une phrase. Dans une traduction, mon but est aussi de tout mettre en une phrase sans que cela ne devienne bizarre. Seulement quand mon premier lecteur régulier me dit : « Ce n’est pas possible », ou « Je ne vois pas tout ce que vous voulez dire en même temps », je suis obligée d’apporter des modifications. »

Ce n’est qu’un des obstacles à une bonne traduction. Liesbeth van Nes: « Lorsque vous commencez un livre, il peut facilement arriver trois ou même dix fois que vous vous demandiez ce que l’auteur veut dire. Ce n’est que lorsque vous êtes à mi-chemin que les mots commencent à tomber en place, s’il y a des palettes autour d’eux, vous les ferez passer à travers. » Anneke Alderlieste : « Plus on vieillit, plus c’est compliqué. Avoir beaucoup d’expérience peut sembler être un avantage, mais c’est précisément à cause de cela que vous êtes conscient des possibilités infinies et que vous commencez à douter. »

Mots

Certes, l’ordinateur a facilité la vie des traducteurs, avec des dictionnaires en ligne et la possibilité de tout rechercher. Alderlieste : « Puis vous zoomez sur Google Street View et vous savez, aha, voici à quoi ressemble cette rue. » Mais il est facile de sous-estimer l’importance de la lecture, de l’empathie, du travail de détective et de l’énigme dans la traduction d’un texte.

« Je ne travaille pas avec les mots », dit Kiki Coumans (1971), à première vue, une remarque particulière dans une profession où tout semble donc se résumer à cela. Mais elle peut l’expliquer : « Je cherche ce à quoi le langage fait référence. J’ai eu affaire à des livres contenant plus d’une centaine de noms de plantes, avec des techniques de tricotage, avec de nombreuses espèces de poissons. Mais je n’ai jamais utilisé un mot sans savoir à quoi il fait référence. Je dois le voir devant moi. Et prenez une expression, par exemple. Dans quel contexte est-elle utilisée, à quelle fréquence, par quel type de personnes ? Je veux savoir cela très précisément. »

Afin de parvenir à la traduction correcte d’un texte, elle, comme ses collègues, consulte occasionnellement les auteurs, s’ils sont encore en vie. Parfois, l’aide vient d’un casque. L’écrivain afghan-français Atiq Rahimi a dit à Coumans quelle musique avait déterminé le rythme de son livre. Elle savait alors comment les phrases devaient s’enchaîner.

Coumans traduit de la prose et de la poésie (« la prose le jour, la poésie le soir ») et doit notamment sa nomination à la traduction de cinq œuvres expérimentales d’avant-garde. Elle est très satisfaite de Het raam gaat open als een sinaasappel de Guillaume Apollinaire. « Il a rédigé des poèmes visuels, dessinant avec des lettres. En fait, il fait exception à la règle selon laquelle la recherche est toujours nécessaire. Je pourrais traduire son travail à l’aveugle, même si je ne savais rien de lui. Tout est dans sa langue, son rythme, son choix de mots. »

Langue maternelle

Martin de Haan : « J’ai approché Houellebecq une fois pour comprendre à quel point il sentait lui-même que ses livres contenaient de l’ironie. Avec cette information, vous faites des choix que vous ne feriez pas autrement. Je me mets entièrement dans la peau de l’écrivain. Je veux savoir ce qui le touche. C’est très enrichissant et utile. Milan Kundera est un ex-tchèque qui écrit en français. Dans certains cas, je me demande s’il les a écrits délibérément de cette façon, ou si c’est parce que le français n’est pas sa langue maternelle. C’est ce que je présente. Vous piégez aussi les écrivains pour des erreurs ou des incohérences. Certains veulent que ces points soient améliorés, d’autres veulent qu’ils restent comme à l’origine. »

« J’ai appris à connaître la France parce que j’ai traduit de nombreux auteurs différents », dit Liesbeth van Nes. « Je suis toujours sur la route. Pour Giono, par exemple, je suis allée en Provence. À un moment donné, il écrit sur la terre rouge. Là-bas, vous voyez soudain la terre et les choses se mettent en place. » Elle ne voyage pas toujours au sens littéral du terme. « Lemaître a écrit son livre sur la Première Guerre mondiale après qu’elle soit terminée depuis longtemps. Je ne pouvais pas faire grand-chose avec la maison à Paris et la tranchée dont il parlait. Dans son cas, je me suis plongée dans les livres dont il s’est lui-même inspiré. »

Anneke Alderlieste a séjourné plusieurs fois au Château du Tertre à Sérigny, a vu la superbe étude où Roger Martin du Gard travaillait et a tenu dans ses mains les textes écrits. « Lui-même a beaucoup écrit sur la façon dont il voulait écrire. Il estimait important que la maison soit d’abord équilibrée, avec de bonnes fondations, un ensemble architectural. Ce n’est qu’ensuite que le style est entré en jeu.  Fond et forme. J’essaie de donner à la traduction le même équilibre, la même fluidité. »

Pour elle, la « merveilleuse liberté de s’immerger dans un livre pendant trois mois », comme le décrit Liesbeth van Nes, l’emporte sur les aspects moins importants de l’œuvre. « Traduire des annonces est beaucoup plus lucratif, mais elles vous dérangent trois fois par jour. D’ailleurs, je vous suis très reconnaissante, écrivez cela, que le syndicat des auteurs soit là pour représenter nos intérêts et pour discuter d’une compensation raisonnable, parce que si vous devez faire tout cela vous-même, vous ne respecteriez jamais vos délais. » Les traducteurs expriment aussi spontanément leur gratitude à leurs éditeurs, qui ont entrepris des projets coûteux et qui sont si étroitement impliqués dans le travail de leurs traducteurs. En bref, c’est suffisant pour le mot de remerciement que le gagnant du Prix Dr. Elly Jaffé prononcera le 31 mai. Bien que cette fois, il sera moins solide que dans les éditions précédentes, mais improvisé ou récité à partir d’une feuille de papier tirée à la hâte de la poche intérieure.

Philip Freriks voorzitter jury Dr. Elly Jaffé Prijs

Philip Freriks heeft het voorzitterschap aanvaard van de jury van de Elly Jaffé Prijs en het Elly Jaffé Stipendium. Prijs en stipendium worden toegekend voor vertalingen uit het Frans in het Nederlands. De prijs van € 40 duizend is de grootste vertaalprijs van Nederland, het eervolle stipendium is met € 7.000 een van de meest begeerde onder beginnende vertalers. Beide worden in 2018 uitgereikt.

Freriks is oud-correspondent van het NOS-Journaal in Frankrijk en verklaard Francofiel. De jury bestaat verder uit Rudi Wester, o.m. voormalig directeur van het Institut Néerlandais te Parijs en juryvoorzitter van de PC Hooftprijs 2013, Wineke de Boer, recensent Franse literatuur voor de Volkskrant en Eric Metz, docent vertaalwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam.

Freriks: “Het komt voor dat een vertaling uit het Frans zo goed is dat ik gaandeweg vergeet dat ik het boek in het Nederlands lees. Met andere woorden, vertalen is een kunst. Of misschien kunst tout court.
Vertalers zijn schrijvers bij volmacht. Misschien geen auteurs maar wel literatoren. Geen nauwgezetter ambachtslieden dan vertalers. Ze proeven woorden, kauwen op zinnen.

“Zoeken eindeloos naar de ziel van een boek. Noem het een literaire roeping, een vetpot wordt het nooit.  Maar zie daar, voor de beste onder hen is er een mooie geldprijs. Een bedrag dat een groot schrijver waardig is. Dat hebben ze met recht verdiend.  Een jury zal bepalen wie het beste zielenwerk heeft verricht. Mooi werk en een beetje voor Sinterklaas spelen. Van die jury voor de Elly Jaffé Prijs mag ik de voorzitter zijn. Een plaisir d’amour om het in een woordje Frans te vatten.”

De driejaarlijkse Dr. Elly Jaffé Prijs, voor vertalingen uit het Frans werd in 2001 ingesteld op initiatief van mevrouw Elly Jaffé. De toekenning geschiedt door het bestuur van de Dr. Elly Jaffé Stichting. De stichting wordt beheerd door de Vereniging van Letterkundigen (VvL), een van de vier afdelingen van de Vereniging van Schrijvers en Vertalers (VSenV). De prijs werd achtereenvolgens uitgereikt aan Hans van Pinxteren, Marianne Kaas, Rokus Hofstede, Jeanne Holierhoek, Mirjam de Veth, Jan H. Mysjkin en Hannie Vermeer-Pardoen. Elly Jaffé overleed in 2003.