“Het gaat niet om wat AI is of kan, maar wat staan wij toe dat het kan”
Foto: Merlijn Doomernik
Maarten van der Graaff publiceerde in 2025 de poëziebundel Huishoudboekje van de verborgen dingen, winnaar van de Publieksprijs van de Grote Poëzieprijs 2026. Opvallend element aan de bundel: door het boek heen loopt één lang gedicht waarin een spreker een artificiële intelligentie opdraagt met hem te spreken alsof het de staalgigant Tata Steel is, en af en toe van rol te wisselen. Een intrigerend uitgangspunt voor een gesprek over AI en literatuur.
Maarten, wat is je relatie tot artificiële intelligentie, waardoor het zo’n prominente rol inneemt in je laatste bundel?
Ik gebruik artificiële intelligentie eigenlijk helemaal niet. Ik zou het liefst doen alsof het niet bestaat. Maar juist daarom schrijf ik erover. Omdat ik denk: oké, het bestaat, dus wat vind ik ervan? Hoe voelt dat? Het liefst zou ik niet eens een gesprek erover hebben, dat is het vreemde aan het onderwerp. Er is wel een kant van mij die bijna buiten de moraal om nieuwsgierig is: wat is er allemaal mogelijk? Mijn kinderen zullen niets anders kennen dan een wereld met AI. Dat vind ik een raar idee, een grimmig toekomstperspectief: als zij straks op school zitten, is AI genormaliseerd. Het komt niet op, het is er al.
Op een bepaald punt in de reeks vraagt de spreker de kunstmatige intelligentie de rol van dichter en recensent Alfred Schaffer aan te nemen. Hoe was het om een AI in je werk te laten spreken, over je werk?
Het spel is natuurlijk dat ik openlaat of ik met het programma heb geëxperimenteerd en er vervolgens niks van heb gebruikt. Dat is mogelijk. Daarnaast blijft de andere mogelijkheid ook interessant voor mij: TATA Steel/Alfred Schaffer schrijft best een interessante bespreking van de bundel. Dan rijst voor mij de vraag of je daar als lezer van schrikt en denkt: “Oh, is deze bundel nu afdoende in de bundel besproken door iets niet-menselijks?” Wat vinden we daar eigenlijk van? Het is ook mogelijk dat ik mezelf heb gerecenseerd via AI. En dat spel trekt me. Niet omdat ik de vraag ‘Heb ik kunstmatige intelligentie gebruikt of niet?’ zo fascinerend vind, maar vooral omdat het een soort lakmoesproef is van wat we willen geloven. Want hoe verhouden we ons tot AI? Het gaat niet om wat AI is of kan, maar wat staan wij toe dat het kan?
De AI uit jouw werk vertoont sterke gelijkenissen met ChatGPT. Momenteel is er een Nederlands taalmodel klaar voor lancering, namelijk GPT-NL. Het model is gebaseerd op Nederlandse data die rechtmatig is verkregen en zou transparant zijn over welke trainingsdata er wordt gebruikt. Ook zou een deel van de opbrengsten terugvloeien naar de auteurs.
Ik denk dat het optimistisch is om te denken dat genoeg uitleg over de totstandkoming het beter maakt. Misschien overschatten we de belangstelling voor de achterkant. Op het vlak van regelgeving kan het wel belangrijk zijn. Maar wie wil hieraan meewerken, is de vraag. Kun je een taalmodel bouwen op data die niet gestolen is? Dat wordt zo’n commons-based model.
Is dat beter?
Ja, dat denk ik wel. Maar bepaalde fundamentele vragen rondom AI blijven bestaan. Die haal je er niet helemaal mee weg. Wat is kennis eigenlijk? Wat betekent geleefde ervaring in de tijd voor onze wijsheid? Wat is data, wat is informatie, en wat is de status daarvan binnen bijvoorbeeld de wetenschap? Wat is het voor ons, meer in het bijzonder voor schrijvers: hoe relateren we het aan wat we literair schrijven noemen?
In die zin kan AI literaire schrijvers ook juist uitdagen om scherper te stellen wat de cruciale aspecten van de literatuur zijn?
Ja, dat is een aantrekkelijke lijn van redeneren: dat AI de uitdaging vormt die mensen die zich met literatuur bezighouden, laat nadenken over wat ertoe doet binnen wat we literatuur noemen.
Zoals dus ook de menselijke hand achter een boek, of eigenlijk elke vorm van kunst?
Ik denk dat je niet moet onderschatten hoe belangrijk de auteur is voor mensen. Kunstmatige intelligentie heeft nog geen rekening gehouden met de nieuwsgierigheid van mensen naar het leven van een auteur. Het gaat niet alleen om de tekst, maar ook over de leefwereld, de denkwereld van iemand waar je in geïnteresseerd bent en van wie je alles wil weten. Of ze nu geïnteresseerd zijn in romantische verhalen of in modernistische literatuur, lezers hebben veel gemeen. Namelijk dat ze in de tijd leven. Dood, ouderdom, eindigheid; dat blijven belangrijke onderwerpen. Fundamentele menselijke ervaringen waar natuurlijk heel veel literatuur uiteindelijk over gaat. Wat betekent het als zo’n tekst niet van menselijke hand is? Die kan misschien wel een emotie bij de lezer oproepen. AI is niet iets wat uit zichzelf, uit het niets, creëert. Het is geen creatio ex nihilo. Het is gebaseerd op de tekst van mensen. Het is een schepping die gebaseerd is op, nou ja, roof.
Er is ook een kritische traditie die daartegenover staat en zegt: “De literaire tekst bestaat op zichzelf, ook los van de auteur”.
Literatuur is niet alleen tekst. De dood van de auteur, en de geboorte van de lezer, heeft mensen nooit tegengehouden om biografisch nieuwsgierig te zijn, schrijversbiografieën te willen lezen, en films te willen maken over kunstenaars. Die interesse is er altijd geweest en heeft te maken met de geboorte van het moderne individu dat zich wil laten kennen en op een seculiere manier te biecht gaat. Zie de Bekentenissen van Rousseau, dat hele genre. Het confessionele is hierin ook interessant, want AI heeft niks op te biechten. Je kan niks opbiechten als je een taalmodel bent. Dat kan een mens wel. De confessionele impuls in literatuur is ook nog iets wat ik zie als een heel sterke traditie die niet zomaar zal ophouden door de komst van AI.
Tegen het einde van de reeks zegt de spreker: “Misschien is individualiteit, intuïtiviteit en authenticiteit niet belangrijk voor deze poëzie, of voor poëzie in het algemeen. Ik zou de regels ook als leuzen kunnen zien, de auteur van de leus is niet echt van belang.” Daarmee zeg je eigenlijk ook: de menselijke hand zit ‘m niet alleen in persoonlijk eigendom, maar ook in performativiteit en positie. Dus waar, hoe en waarom je taal laat spreken?
Precies. Dat is heel mooi geformuleerd. Het gaat niet alleen om authenticiteit en eigendom. Het is ook alles wat je rondom tekst met elkaar doet, of rondom gesproken taal. Literatuur is een breder fenomeen dan: Er is een auteur, die zendt iets, en jij ontvangt het. Het gaat ook over het gebruik van taal en de context waarin je taal gebruikt. Het roepen van een leus, of poëzie als een soort bezwering, is een performatieve activiteit in de wereld die mensen beroert of samenbrengt, in het geval van de leus bij een politiek protest. Het is ook oprecht niet belangrijk wie bedacht heeft wat je op dat moment scandeert. Vaak weet je dat ook helemaal niet. Dat vond ik een interessante manier om voorbij authenticiteit en eigendom te denken.
Het gevaar is dat we in onze reactie op AI vooral over auteursrechten en bezitsrelaties spreken.
Precies. Want literatuur is meer dan “dit is mijn intellectuele eigendom”. Ik snap dat het voor een belangenorganisatie, zoals de Auteursbond, een logische invalshoek is. Maar als schrijver heb ik willen nadenken over AI, en niet alleen een soort pamflet ertegen willen schrijven. Ik dacht: Ik moet de implicaties daarvan doordenken in een poëtische constructie, in dit geval dat gesprek met TATA Steel. Ik vond het interessant om zo’n nieuwe vorm van technologie als AI de opdracht te geven om de staalindustrie te spelen. Ik denk overigens niet dat authenticiteit en zoiets als intimiteit onbelangrijk zijn voor literatuur. Ik ben het dus niet eens met die uitspraak van Alfred Schaffer/TATA Steel/AI. Ik vind het geen sluitende conclusie.
Wat kunnen we wel concluderen?
Intimiteit – authenticiteit is een heel moeizaam begrip – is heel belangrijk voor literatuur. Het is de intimiteit van de lezer met de tekst. Dat gaat niet per se over de auteur of één stem. Je kunt ook intimiteit ervaren met een heel polyfoon kunstwerk, denk ik. Juist omdat veelheid ook maatschappelijk is, is er een maatschappelijke veelheid, een wereld. En die wereld heeft een klank. Daarmee kun je ook intiem zijn. Poëzie is ook op zoek naar de tonen die er klinken, de registers die leven. Soms botsen die registers, soms klinken ze samen, en soms is er een kritische relatie tot bepaalde registers. De poëzie kan dat allemaal doen. Ik denk nu dat artificieel gegenereerde taal één van die nieuwe registers is geworden. Dat klinkt mee. Wat moeten we daarmee en wat vinden we daarvan? Maar het is ook het idee, zeker als je oudere schrijvers leest van lang geleden, dat je iemands ideeën en gevoelens ontvangt, ziet, leest, ervaart. En dat er een gigantisch lange tijdsperiode tussen jullie in zit. Er is dus ook een intimiteit die misschien verder gaat dan de tekst en meer gaat over het idee van een zelf.